Marcel Minnaert (1893-1970), diens censuur in Vlaanderen, en een weinig René De Clercq.

Voor het Rene De Clercq-genootschap gaf de biograaf van Minnaert voor het eerst een lezing over het Vlaamse activisme. De Vlaamse uitgever, Van Halewyck, had in 2003 elk contact over deze publicatie vermeden. Hopelijk wordt het zwijgen een keer doorbroken.

Inhoudsopgave

1. 2011: eindelijk voorbij de Belgische censuur

2 .Vier vondsten van een bevooroordeelde Nederlander.

3. Kwesties van de biografie, betekenis van het Biografie Bulletin.

4. Over de humanistische biografie: twee scènes met De Clercq:

  1. Eindelijk voorbij de Belgische censuur:

Ik ben het René De Clercq-genootschap erkentelijk dat ik, acht jaar na mijn biografie van Minnaert, in de gelegenheid word gesteld om voor het eerst op Belgische, meer in het bijzonder Vlaamse, bodem een publiek verhaal over deze flamingant te kunnen vertellen. Toen de biografie uitkwam eind april 2003 organiseerde de Nederlandse uitgever, Gaarlandt van Balans, een bijeenkomst in het Minnaertgebouw, dat kosteloos ter beschikking was gesteld door de universiteit van Utrecht. Omdat een 40% van de tekst van de biografie aan Vlaanderen was gewijd, wilde ik graag in dezelfde week een bijeenkomst organiseren in de Gentse universiteit. Enkele vooraanstaande mensen, zowel sterrenkundigen als experts in de geschiedenis van het Vlaamse ‘activisme’, waren bereid om, net als in Utrecht, hun medewerking te verlenen aan lezingen of een debat.

Ik richtte me daarom op 10 januari 2003 tot mijn uitgever in België, Van Halewyck in Leuven, om in zijn en in mijn belang de organisatie op zich te nemen van een dergelijke bijeenkomst. Ik verklaarde me bereid tot overleg met hem in Leuven. Dat zou de verkoop in Vlaanderen, en de bekendheid van Minnaert, ten goede komen. Welnu, uitgever Van Halewyck reageerde zelfs niet op mijn brief. Daarmee was een Vlaamse bijeenkomst van de baan. Toen de biografie in een reeks van Vlaamse kranten en bladen uitvoerig en lovend was besproken, minstens in De Standaard, De Gentenaar, Ons Erfdeel en ’t Pallieterke, schreef ik Van Halewyck dat voorjaar opnieuw om op basis van die recensies te komen tot een discussieavond in Vlaanderen. Ik hoorde niemendal. Ten slotte beklaagde ik me bij mijn Nederlandse uitgever, die me beloofde de kwestie bij zijn partner Van Halewyck aan te kaarten: die betoonde zich opnieuw stokdoof. Uiteindelijk moest een deel van de Vlaamse oplage terug gestuurd worden naar Nederland, om daar met succes verkocht te worden. Het boek was in 2005 bijna uitverkocht, op een klein restant na dat via De Slegte zijn weg vond.

Ik kwam die eerste weken terecht in een Brusselse radio-uitzending van een kwartier over mijn biografie. In januari had ik de televisierubriek van de VRT, Histories, geattendeerd op Minnaert. Ik schreef Bert Govaerts op 6 januari 2003 onder meer: “ Zijn ontwikkeling, van Vlaams-nationalist naar internationalist, met een blijvende liefde voor Vlaanderen en Groot-Nederland, heeft mijns inziens de huidige generatie veel te vertellen. Zij kan kennis nemen van zaken waarvan ze het bestaan niet vermoedt en kan kennismaken met een integere flamingant.” (…) “Ik heb bij het concipiëren van Deel I de VRT-documentaires zoals die over Verschaeve en Borms (tot 1936 bevriend met Minnaert) op video gezet, bezien, beschreven en op me laten inwerken. De figuur van Minnaert geeft het Vlaams-nationalisme een progressieve draai: dat had men af en toe gewenst in Uw documentaires en ook bij een figuur als Reimond Speleers. Ik heb moeten constateren dat praktisch alle overlevenden van de Gentse initiatiefgroep van Jong Vlaanderen in meerdere of mindere mate in de tweede collaboratie stapten (Thiry, Kimpe, Domela, Picard, enz). De pacifistische instelling van Minnaert, opgedaan bij zijn vader Jozef en oom Gilles Minnaert, en bevestigd bij Mac Leod en Kropotkin, heeft hem gevoelig gemaakt voor de oorlogszuchtige instelling van Mussolini en Hitler. Medio jaren dertig veroordeelde Minnaert het fascisme en werd hij overigens de kop van Jut toen de NSB zich bekeerde tot de politiek van Hitler en de Dietse idealen afzwoer.” Een jaar later bleek dat de Brusselse Tim Trachet zich sterk had gemaakt voor een documentaire voor Histories, waartoe inmiddels besloten was. De Minnaertdocumentaire was toebedeeld aan Guido de Bruyn, de regisseur van een boeiende aflevering over Louis Paul Boon. Toen die twee samen in Delft op bezoek kwamen, stonden hun gezichten somber. Die ochtend hadden bezuinigingen bij de VRT het aantal programma’s voor Histories teruggebracht van 24 naar 5, als ik me goed herinner, waardoor Minnaert zou afvallen. Ik had gehoopt dat de documentaire de aandacht alsnog op Minnaert zou vestigen, waardoor het tot de nodige discussie in Vlaanderen zou kunnen komen. De afzegging was dan wel geen formele censuur, maar kwam me langzamerhand verdacht voor. Langzaam aan begon ik te wennen aan het idee dat de onzichtbare censuur ervoor zou zorgen dat mijn biografie in het Vlaamse lezingencircuit zou worden doodgezwegen.

Nu, bijna negen jaar later, komt uw verzoek aan mij om over Minnaert te spreken, liefst ook in relatie tot uw René De Clercq. Ik was Vlaanderen al weer vergeten, want het leven van een biograaf gaat verder met Erasmus en de Nederlandse politicus Marcus Bakker, maar toch doe ik dat graag. Waar ik woorden tekort kom, zal een expert zoals Joost Vandommele me wel uit de problemen redden.


  1. Vier vondsten van een bevooroordeelde Nederlander.

Minnaert maakte deel uit van de Vlaamse intellectuelen van 1914 en had, net als literaire strijdmakkers zoals Paul van Ostayen, René De Clercq, Willem Elsschot, Richard Minne of Felix Timmermans geen enkele boodschap meer aan de staat België. Hij heeft door de uiterste radicaliteit van zijn anti-Belgische streven een ontwikkeling in gang gezet die vandaag de dag naspeurbaar is. Er waren niet veel mannen die in het Gent van oktober 1914 Jong Vlaanderen hebben opgericht: een Nederlandse dominee en twee handenvol Vlamingen. De tomeloze Minnaert was present. Misschien was het zonder hem anders gelopen. Elke medestander telde in dat bange uur dat een Gideonsbende met de hulp van de Duitse bezetter de oorlog verklaarde aan België, zoals men elders in Europa de Wereldoorlog aangreep voor de nationale bevrijding van Ierland (van onderdrukker Engeland), voor die van Servië en Tsjechië (van onderdrukker Oostenrijk) of in Rusland voor de omverwerping van het tsaristische juk.

Marcel Minnaert werd evenwel, in de woorden van Ed van der Heuvel, de meest vooraanstaande Nederlandse astronoom, “één der grootste natuurwetenschappelijke onderzoekers die de Nederlanden hebben voortgebracht” (NRC/ Handelsblad, 3 mei 2003, ingezonden brief naar aanleiding van mijn biografie). Hij was geen wetenschapsman in Vlaanderen of in Nederland, maar was iemand van wereldformaat. Dat had Minnaert niet kunnen voorzien, en toch had dat te maken met zijn keuze voor Jong Vlaanderen.

Eerst bied ik u een beeld van zijn leven in een diapresentatie; klik hier voor de DIAPRESENTATIE

Dan vertel ik u van de vier vondsten die ik deed bij de exploratie van de biografie; Vervolgens ga ik met behulp van het Biografie Bulletin in op mijn oriëntatie op het handwerk van de biografie, waarin ik bij Minnaert een debutant was;

Ten slotte wil ik aan de hand van enkele passages uit mijn boek toelichten wat ik versta onder de term ‘humanistische’ biografie. Daarbij kies ik twee emotionele scènes uit het leven van mijn hoofdpersoon, die met René De Clercq te maken hebben.

De fascinatie voor de astronoom Marcel Minnaert (1893-1970) vloeide voort uit het werk aan mijn dissertatie. Die ging over het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers (1946-1980). Minnaert was voorzitter van dat Verbond op het moment dat de Koude Oorlog uitbrak. Veel van deze wetenschapsmensen, een vijfhonderd in getal, wensten zich na de Tweede Wereldoorlog bezig te houden met constructieve wetenschapsbeoefening, met het welslagen van de Verenigde Naties. Zij verzetten zich tegen een nieuwe wapenwedloop die ook het kernwapen zou betreffen. Ik heb de activiteiten van dat Verbond beschreven als een geschiedschrijving van een zich steeds vernieuwende en ontwikkelende organisatie. De intellectuelen van de eerste golf van dit Verbond boeiden me. Ik wilde met één van hen de twintigste eeuw doorlopen en in retrospectief zijn ‘progressieve’ stellingnamen doorlichten. Dat zou me confronteren met een Nederlandse vertegenwoordiger van de linkse, natuurwetenschappelijke intelligentsia, dus met een vriend en geestverwant van mensen zoals J. Desmond Bernal, Julian Huxley, Léon Rosenfeld, Jan Romein en Irène Curie. Ik had de tien hoofdstukken van mijn dissertatie laten uitlopen op tien biografische schetsen van ‘prototypes’ uit de behandelde perioden. De Vlaamse Nederlander Marcel Minnaert was één van hen. Hij leek me de boeiendste figuur voor een biografie. Een man met een priesterlijke opvatting van wetenschap, die zo kenmerkend was voor veel wetenschapsmensen in het Interbellum. Ik wilde het sociologische perspectief van mijn dissertatie binnenste buiten keren: van de organisatie naar de mens. Wat waren dat voor mensen die zich in hun vrije tijd hadden bekommerd over de ethiek van de wetenschapsbeoefening, en over de strijd voor de vrede? Aan de hand van het persoonlijke perspectief van Minnaert zou de lezer zich daarvan een beeld kunnen vormen. Ik wilde dus de eeuw van Minnaert doornemen. Het was me bekend dat hij eind jaren dertig reeds een gevierd astrofysicus was. Hoe kwam het dat hij na 1945 de ontwikkeling van de wetenschap niet langer aan de politici had willen overlaten? Destijds liet ik de interviews met de bejaarde grondleggers van het Verbond uitlopen op gesprekken over Minnaert. Ik schreef voor Natuur & Techniek en Zenit (1993) biografische schetsen naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag. Toen het College van Bestuur van de Utrechtse universiteit besloot om het nieuwe gebouw voor natuurwetenschappelijk onderwijs en onderzoek naar Minnaert te vernoemen, kreeg ik de opdracht voor de brochure Marcel Minnaert: een leven lang leraar (1998). Ik maakte kennis met zijn naaste familieleden, interviewde zijn collega’s en promovendi en exploreerde het werkterrein voor een biografie.

Bij die exploratie deed ik vondsten , die mijn opzet fundamenteel wijzigden.

De eerste betrof de informatie over de jeugd van Minnaert in Vlaanderen. Op bezoek bij diens jongste zoon Boudewijn in het Australische Sydney legde die me een stapeltje Dagboeken voor van zijn grootouders. Jozef Minnaert had bij de geboorte van zijn enige kind een notitieboek gewijd aan Marcel. Na zijn vroege dood, het kind was tien jaar, nam de moeder dat schrijfwerk over. Er waren al 1.300 geschreven pagina’s beschikbaar toen hij 15 jaar was. Twee beroepspedagogen hadden hun professionele aandacht aan hun oogappel gewijd. Zij gaven veel, maar eisten niet minder. Vooral de vader, gemankeerd medicus, wierp zich op de intellectuele ontwikkeling van het kind, en schrok soms van het verbluffende resultaat. De Dagboeken beschrijven de vorming van Marcel. Toen de vader stierf, schreef hij in een Testament de jongen diens levensloop voor. De moeder nam het ogenschijnlijk iets lichter en ging veel op reis met haar geliefde zoon. Zo bezochten die samen Der Ring in Bayreuth, en begeleidde Marcel op de piano Wagners fragmenten bij lezingen voor de Gentse culturele elite. De jongen werd overvoerd met cultuur en wetenschap, en bleek als puber extreem gevoelig te zijn voor de onderdrukking van de Nederlandse taal en cultuur. Hij ontpopte zich, aangevuurd door Vlaamsgezinde docenten zoals René De Clercq, tot een fanatiek ‘flamingant’ voor wie in 1914 de vrijmaking van Vlaanderen zwaarder telde dan de Duitse verovering van de ‘verdrukkerstaat’ België. Zijn moeder volgde hem daarin. Zoon en moeder Minnaert vluchtten eind 1918 naar Nederland om de franskiljonse furie te ontlopen. De 25-jarige Marcel had toen, naast zijn dissertatie in de kwantitatieve biologie van 1914, al tientallen artikelen en lezingen op zijn naam staan. De onderwerpen varieerden van Beethoven tot de Scandinavische talen, van de inwerking van het licht op de plantengroei tot de noodzaak van de stichting van een Vlaamse Hogeschool.

Een tweede vondst betrof de rol van Minnaert in het Vlaamse ‘activisme’ tijdens de Eerste Wereldoorlog. Die bleek belangrijker te zijn dan ik had kunnen vermoeden. De Gentse stroming van Minnaert, de Jong Vlamingen, is de meest geruchtmakende. In studies zoals Het Aktivistisch Avontuur (1991) van de historicus-germanist Daniel Vanacker is Minnaert een hoofdrolspeler. Minnaert verdedigde zijn politieke ‘activisme’ zelfs in een uitvoerig verweerschrift: De verdeling van de arbeid en het nationaliteitenbeginsel (1916). Ik moest me bijgevolg diepgaand bezighouden met de Vlaamse Beweging, en heb dat vooraf al beschouwd als een stimulerende uitdaging voor een Nederlandse buitenstaander.


De structuur voor het eerste deel van de biografie, Vlaanderen, lag op grond van het vele egomateriaal al klaar. Toen ik aan de biografie begon, wist ik zelfs niets van dit materiaal.

Dat ging om opvoeding, jeugd, puberteit en adolescentie: dat was Minnaert zelf. Het ging om zijn milieu, de familie, de school, de studentenverbanden, de flamingante groepen en de schreeuw om een Verlosser toen de Vlaamse zaak in het jaar 1913-1914 door de parlementaire politiek werd verraden: het verklaarde de haat van de 21-jarige tegen het walgelijke, Franssprekende België dat hem de keel dichtkneep. Toen volgde, door niemand vermoed, het binnenvallen van de Duitse bezetter in het land, compleet met zijn oorlogsmisdaden, zoals Raemaekers ze tekende, maar wel bereid om de Nederlandstalige Hogeschool aan Gent te schenken. Met zijn 25 jaar kon Minnaert in de herfst van 1918 naar Nederland komen: hij ontliep daarmee zijn berechting, maar niet de verwoesting van hun huis en van zijn boeken en muziekinstrumenten aan de Gentse Parklaan. In Nederland startte Deel II, in steden zoals Zeist, Soest, Bilthoven en Utrecht, waar zoon en moeder zich samen vestigden.

De derde vondst had betrekking op het wetenschappelijke werk. Ik kende ‘Minnaert’ van de drie delen van diens De Natuurkunde van 't Vrije Veld, die ik bij de heruitgave van rond 1970 als 25-jarige zelf had aangeschaft. De biografische schets in mijn dissertatie maakte gewag van zijn uitnemendheid als astronoom en als popularisator van de natuurwetenschap. Uit het archiefmateriaal en zijn wetenschappelijke publicaties kwam Minnaert naar voren als een pionier van de astrofysica, al in de jaren dertig wereldwijd één van de vooraanstaande leden van de International Astronomical Union. Hij kreeg als jongeman binnen enkele maanden een onbetaalde werkplek op het Heliofysisch Instituut van de Universiteit van Utrecht. Vier jaar later confronteerde hij de astronomische wereldgemeenschap met een voorstel voor een eenheid voor de meting van de intensiteit van geabsorbeerd sterrenlicht: de equivalente breedte, die meer dan een kwart eeuw later in zijn formulering de internationale standaard werd. Vooral in de periode tussen 1925 en 1940 verrichtte hij baanbrekend onderzoek. Ik moest daarom op de inhoud van zijn wetenschappelijke werk én op enkele wetenschapshistorische vraagstellingen ingaan. Oorspronkelijk had ik Minnaert eenvoudigweg gekozen als voorbeeld van ‘een’ vooraanstaand wetenschapsman, wiens maatschappelijk engagement van na de Tweede Wereldoorlog een biografie rechtvaardigde. Nu bleek hij niet slechts prominent aanwezig te zijn in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging maar tevens, als een van de schaarse Nederlanders, in de Encyclopedia Brittannica. Hij kreeg de twee hoogste onderscheidingen van de astronomie, die geen Nobelprijs kent: de Britse Gold Medal en de Amerikaanse Bruce Medal. Zijn Utrechtse team produceerde in navolging van illustere voorgangers zoals de Duitser Kirchhoff en de Amerikaan Rowlands een Atlas (1940) en een Tabel (1966) van het Zonnespectrum die nog steeds worden geraadpleegd.

Ten slotte deed ik een vierde vondst. Die was heel aangenaam voor iemand als ik die veertig jaar heeft gedoceerd in de natuurwetenschap, en affiniteit heeft met het leraarschap in het algemeen. Minnaert had zich als één van de eersten intensief beziggehouden met de opvoedkundige aspecten van de natuurwetenschappen en met de inrichting van de leraarsopleidingen aan de universiteiten. Hij maakte deel uit van de ontluikende beweging tot vernieuwing van het onderwijs, voelde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog op de Gentse Hogeschool al betrokken bij het werk van de Zweedse Ellen Key, de Haagse Jan Ligthart en de Russische Tatiana Ehrenfest-Afanasjeva, en streed na WO II samen met de wiskundige Hans Freudenthal voor een aantrekkelijker aanpak van het onderwijs in de wis-, natuur- en sterrenkunde. Ik begon te begrijpen dat zijn didactische principes ook aanwezig waren in zijn magnum opus, De Natuurkunde van 't Vrije Veld. In dat drieluik dat hij tussen 1936 en 1940 schreef, stond de wisselwerking centraal tussen natuurbeleving, verwondering, observatievermogen, esthetiek, literatuur en wetenschap.

De figuur van Minnaert was veelzijdiger en gecompliceerder dan ik me had voorgesteld toen ik vanuit mijn persoonlijke beweegredenen op zijn persoon stuitte. Als mens, als flamingant, als wetenschapsman en als didacticus was hij een buitengewoon boeiende figuur geworden. Hij moest als unieke en fascinerende persoonlijkheid tot zijn recht komen. Dat was mijn opgave. Ik was biograaf geworden.

In Deel II schoven veel lagen over elkaar heen: in de jaren tussen 1918 en 1945 ontwikkelde hij zich als wetenschapsman, bleef hij trouw aan Vlaanderen, trouwde hij en stichtte hij een gezin, werd hij benoemd als hoogleraar, eerst in Chicago en, vanwege die dreiging in allerijl toch nog in Utrecht, brak hij door naar de wereldtop, kreeg hij een eigen Sterrenkundig Instituut. Op het moment dat hij naar de nieuwe Sterrenwacht aan het verhuizen was, brak opnieuw een Wereldoorlog uit. Dit keer trof die hem als antifascist en democraat, en werd hij twee jaar gegijzeld in Sint Michielsgestel. De oorlog onderbrak zijn carrière, opende andere gezichtsvelden voor hem zoals geschiedenis en filosofie, en bewoog hem tot een naoorlogs optreden in de politieke arena. Ze veroorzaakte een crisis in zijn gezinsleven en bracht hem in de Nederlandse Randstad op de rand van de hongerdood.

Met zijn 52 jaar ging Minnaert in 1945 een periode in waarin hij tegelijkertijd actief was op wetenschappelijk, didactisch, filosofisch, historisch, politiek en sociaal gebied. In die combinatie lag zijn kracht en zijn uitstraling: vandaar dat die verstrengeling de specifieke invalshoek van Deel III, zijn laatste levensfase, moest worden. Dat was aanvankelijk de periode geweest die tot mijn keuze voor hem had geleid. Minnaerts leven deelde zich na de exploratie van de bronnen ‘spontaan’ op in drie gelijkwaardige Delen van een kwart eeuw die van elkaar werden gescheiden door het einde van een Wereldoorlog. In zijn kinderjaren speelde de Boerenoorlog (1899) dan nog een rol, terwijl de dood hem haalde als coördinator van Boeken voor Hanoi; zijn praktische solidariteit met het Vietnamese volk. Zijn leven, werken en denken waren inderdaad verregaand beïnvloed door de politieke en militaire gebeurtenissen van de 20e eeuw. De globale structuur lag daarmee in een vroeg stadium van oriëntatie vast: er is in de tientallen recensies na het uitkomen van het boek niemand die haar in kwestie heeft gesteld.


  1. Kwesties van de biografie, betekenis van het Biografie Bulletin.

Een maand na het uitkomen van de biografie kreeg ik een telefoontje van iemand die hem had meegemaakt eind jaren zestig, en mijn boek had gelezen. Hij was fotograaf en zelf bezig met biografische schetsen over het leven van kunstenaars. Hij feliciteerde me met het schitterende boek, maar achtte de schets van het persoonlijke leven van Minnaert te openhartig. Hij vroeg of ik niet het schaamrood naar de kaken voelde stijgen als ik diens zoon of schoondochter onder ogen zou komen? Ik was het niet met hem eens. Minnaert was een groot mens, maar had zijn zwakke punten. Ik heb geprobeerd die, naast zijn grootheid, eerlijk aan bod te laten komen. Wat mij betreft wordt hij daar niet minder groot om. Maar goed, zou Minnaert gelukkig geweest zijn met het idee dat een vreemde zijn leven op deze manier ging uitspitten? Hij heeft daar wel een antwoord op gegeven. Hij werd in 1968 benaderd door de Nederlander Lammert Buning, die de biografie wilde schrijven van Jan Derk Domela Nieuwenhuys Nyegaard, de Nederlandse dominee die hem in het Gent van 1914 had meegesleept in het radicalisme van Jong-Vlaanderen. In 1968 had hij een Vlaamse vriend geschreven dat hij Domela achteraf toch een ‘ijdele dweper’ vond. Minnaert reageerde bovendien op conceptteksten die Buning hem had toegestuurd:

Laat U niet teveel door Uw held meeslepen: hij had ook zwakke kanten die U vrijwel geheel verdoezeld heeft. En het komt toch aan op de waarheid, - het enige wat tenslotte blijven zal.”

Buning kwam toen, ook naar mijn smaak, niet verder dan de eenzijdige visie van een partijganger. Ik heb me door Minnaerts pleidooi voor waarheid en integriteit laten leiden.

Bij de recensies van mijn biografie valt mij inderdaad op dat ze als een volwaardig exemplaar van het genre is erkend. De flamingante versie van De Groene, ’t Pallieterke, rondde haar recensie af met de opmerking dat zij de biograaf dankbaar was ‘voor deze schitterende biografie die voldoet aan alle eisen van het metier’. De vraag is dan hoe een eerste poging meteen kan slagen? De belangrijkste oorzaak is wel dat er in Nederland een gemeenschap is van biografen, die nieuwelingen laat delen in hun discussies en ervaringen. Sinds 1998 bezocht ik een reeks van Symposia, ik las de verplichte boeken over ‘de biografie’ van Sam Dresden, Jan Romein, Jan Fontijn of Peter Gay en uiteraard een stapel recente biografieën zoals die over Henriëtte Roland Holst, Frans Masereel, Richard Minne, Guido Gezelle, Christiaan Huygens en Bolland. Het lezen ging gepaard met de analyse van hun stijlen en een antwoord op de vraag welke elementen voor mij én mijn hoofdpersoon geschikt konden zijn. Ik las de laatste tien jaargangen van het Biografie Bulletin en deed er mijn voordeel mee. Dat ging pas echt positief werken op het moment dat ik als schrijver zelf in een bepaalde fase van voorbereiding kwam.

Op een Symposium in 1999 vertelde de Leidse auteur Willem Otterspeer, die als object de filosoof Bolland had genomen, en zich thans moet meten met de moeilijker opgave om de schrijver W.F. Hermans te portretteren, dat een biograaf zichzelf de vrijheid moet bevechten om los te komen van een dorre chronologie van een leven. Hij zei:

De huidige biografie heeft een onontkoombare mal, zo dwingend als een negentiende-eeuwse roman. Een voorgeslacht, een milieu, jeugd, volwassenheid en ouderdom, de tijdsomstandigheden, de respons, de verklaring: het zijn de ingrediënten die een automatische compositie opleveren. Het psychologisch realisme eist een catalogus van het erfelijk materiaal, het fysiek voorkomen, de gedragsmechanismen, de historische inbedding, om zo de illusie te wekken dat de persoon in kwestie daaruit als het ware is opgestaan als een chemisch proces uit zijn receptuur. De gedachte dat elk leven een eigen vorm van vertelling eist, en dat de biograaf daarin participeert, het gemeengoed van elke romanschrijver, wordt slechts bij hoge uitzondering in de Nederlandse biografie aangetroffen. Evenzo is het gesteld met de gedachte dat een afwisseling van stilistische middelen bij de biografie evenzeer op zijn plaats is als in de roman. Omkering van tijdsvolgorde, versnelling of vertraging van tempo, grote verhaallijn en korte vertelling, rapportage en essay, het zijn allemaal aanpassingen aan wat de stof eist en de persoon biedt.”

Otterspeer betoogde dat de biografie de erfvijand van de geschiedenis is, dat ze juist op zoek is naar de mythe. Ze geeft de hoofdpersoon weer als navel van de wereld, vertelt zijn leven als een handvol misverstanden, bouwt het verhaal op uit obsederende thema’s. Ik kreeg na zijn pleidooi zin in een grotere variatie dan ik me aanvankelijk had willen toestaan. Ik was toen bezig met Deel II, de wording van de wetenschapsman, dat er net zo ging uitzien als Deel I. Dat wil zeggen dat ik een geheel van activiteiten in een bepaalde periode beschreef, stel die tussen 1918 en 1923. Via zes van die sprongetjes in de tijd zou ik netjes bij 1945 uitkomen. Ik liet dat keurslijf los en gunde mezelf een andere structuur. Daarbinnen sprong ik bijvoorbeeld voor het wetenschapshistorische verhaal in hoofdstuk 8 van 1918 naar 1936 om in hoofdstuk 9 weer vrolijk in 1918 terug te keren. Ik begon drie hoofdstukken met 1918! Ik schiep aparte hoofdstukken voor spannende activiteiten met zijsporen zoals De Natuurkunde van ’t Vrije Veld (hoofdstuk 12), Minnaerts periode als cursusleider en brievenschrijver in het gijzelaarskamp Sint Michielsgestel (hoofdstuk 14) en zijn filosofische worsteling met De vrije wil bevroor ik bijna in de tijd (hoofdstuk 15). Biograaf Richard Holmes had in het Biografie Bulletin gepleit voor de ‘dagelijkse activiteiten’ van de geportretteerde:

Sindsdien geloof ik dat in de biografie bijna niets zo moeilijk en, als het lukt, niets zo bevredigend is als de herschepping van het dagelijkse, gewone levenspatroon van een individu – vol van aardse, triviale, grappige en alledaagse gebeurtenissen, – in één woord, de herschepping van de intimiteit.”

Ik verzon een ‘dag uit het leven van Minnaert’ waarin hij zich wijdt aan De Natuurkunde van ’t Vrije Veld: hij reist daarin van Utrecht naar Zandvoort en terug naar Bilthoven. Drie radioverslaggevers wilden later, los van elkaar, samen met mij die tocht maken, die volgens hen immers in werkelijkheid had plaatsgevonden. Ze was fictie, maar ik had Minnaert de gelegenheid gegeven een twintigtal observaties in de vrije natuur te doen en daarover te mijmeren en te filosoferen. Het heeft kennelijk gewerkt. De boetpredikatie van Otterspeer heeft me gestimuleerd om meer ruimte te dúrven pakken.

Waarom schrijven mensen een biografie? Biograaf Holmes was van mening dat het schrijven van levensverhalen de uitdrukking is van een diep en gezond instinct van de moderne mens. Niet van een behoefte aan mythen, roddels, schandalen, maar van de noodzaak om onze levens een doel te geven. We willen ze een vorm geven, een bedoeling en continuïteit. Daarom vertellen we onszelf het verhaal, keer op keer. Gé Vaartjes, de biograaf van de Nederlandse Herman de Man en van de schrijfster Top Naeff, sprak van ‘biografische reanimatie’: positief gerichte belangstelling voor een ander mens, die een boeiend en zinvol leven leidde. In onze cynische tijd van debunking wist hij geen betere definitie te geven. De biograaf Wam de Moor voegde toe dat voor de geschiedschrijver historische personen deel uitmaken van een groot fresco: ze zijn bestanddelen van een groter geheel en worden alleen belicht voor zover zij invloed hebben uitgeoefend op dat geheel:

De biograaf schetst de bepaalde mens in zijn ontwikkeling, en de biografie is daarmee een zaak van vlees en bloed.”

Hella Haasse vertelde:

Je interesseert je persoonlijk voor een personage of een tijdstip. Ik vermoed dat die fascinatie correspondeert met iets in jezelf, iets wat misschien volkomen onbewust in jezelf leeft. Een probleem, een verhouding of een ontwikkeling waar je middenin zit of die je voorvoelt. Anders zou je dat onderwerp niet kiezen. En terwijl je die levens uitpluist en opschrijft, ontdek je dingen over die mensen en tegelijkertijd geef je dan gestalte aan iets dat voor jezelf essentieel blijkt te zijn. (...) Pas achteraf blijkt dat het voor een groot deel de weergave is van mijn eigen innerlijke problematiek.”

De keuze van de biograaf voor zijn onderwerp is daarmee voer voor psychologen. Ik heb dat bij Minnaert sterk ervaren. Ik wist niets van zijn Vlaamse radicaliteit in de jaren tussen 1908 en 1918, maar kon mezelf later spiegelen aan mijn linkse radicaliteit in de jaren tussen 1967 en 1975. Met dat verschil dat voor Minnaert die radicaliteit van de Jong-Vlamingen direct had geleid tot de uitstoting uit zijn Vlaamse vaderland, terwijl mijn radicalisme zonder veel gevolgen kon wegebben als collectieve uiting van een toevallig zich manifesterende, niet voor herhaling vatbare, jeunesse dorée, een gouden jeugd. Het is frappant hoe onbewuste motieven kennelijk een rol spelen die pas in een gevorderd stadium van zo’n onderneming tot expressie komen.


  1. Over de humanistische biografie: twee scènes met De Clercq:

Bij het nakaarten over mijn biografie kreeg ik op een gegeven moment een artikel toegezonden van de Zweed Thomas Söderqvist, die pleitte voor een wetenschapsgeschiedenis waarin ruimte was voor wat hij noemde ‘existentiële’ projecten en keuzes. Hij wenste verhalen waarin de biograaf de unieke persoon tot leven brengt, waardoor de lezer zich kan identificeren met anderen die in en vóór de wetenschap hebben geleefd en in die wetenschap levensvervulling hebben ervaren. In het geval van Minnaert: wat stuwde deze strevende mens op, wat probeerde hij te bereiken, welke pijn ervoer hij, welke vreugden bracht zijn leven mee, welke passie bewoog hem? Een biografie moet op die elementen de nadruk leggen, moet volgens Söderqvist, ‘existentiële’ momenten van de mens verwoorden. Ik meen achteraf wel dat mijn biografie van Minnaert in die geest is geschreven. Ik zou in dat geval liever van een ‘humanistische’ biografie spreken.

Ik wil twee passages uit mijn ‘Minnaert’ halen: twee beelden waarin uw René De Clercq een rol speelt.

Het eerste beeld komt uit Deel I over Vlaanderen, en behelst de reactie van hoofdredacteur Minnaert van het scholieren- en studentenblad De Goedendag als zijn vriend, de dichter Evariste Verdurme, alias Ledegouwer, van school wordt verwijderd: indirect leidt dit enkele maanden later tot de dood van de jongeling. De tegenstander is de latere kunstpaus van België, Leo Van Puyvelde, beweerd flamingant, die de jongen er wegens de uitdrukking ‘blote borsten’ in één van zijn gedichten bij heeft gelapt bij de directie. Deze Van Puyvelde zou in zijn loopbaan als Rubenskenner voor een goed deel bestaan van dergelijke borsten. Van Puyvelde was de collega van René De Clercq, die – naar ik me herinner – toen de kool en de geit probeerde te sparen, ingeklemd als hij was tussen een uitzinnige jongeling en een verwaten collega. Destijds heb ik veel bibliotheken afgelopen om in de Antwerpse Stadsbibliotheek eindelijk op een complete collectie van het scholierenblad te stuiten. Ik citeer uit mijn boek (78-79):


Een krijsende, wilde haat:

Van Puyvelde was, anders dan de prefect, op de hoogte van diens pseudoniem als redactielid. Nog dezelfde dag stuurde de prefect Verdurme van school. De redactie schreef: “Het is een ongehoord en ongelooflijk feit. En toch is onze medewerker, onze vriend Ledegouwer, van het Atheneum geworpen. Is hij als de bedorven vrucht vanuit de ‘goede’ verwijderd, is hij als een door-de-pest-aangetaste, met vieze vingeren en een minachtende mond, de deur gewezen…”

De redactie van De Goedendag was niet bij machte haar “grenzeloze minachting en onnoemelijke afkeer voor hen die de schelmenstreek begingen” uit te drukken. Verdurme was een goede, rustige leerling geweest. Met de school had zijn bundel niets te maken. Minnaert hoonde prefect Clevers en leraar Van Puyvelde pagina’s lang. Redelijke argumenten waren er niet voor Clevers’ daad: “Zag hij in ’t geval een gelegenheid om zich te wreken op een der redacteuren van De Goedendag, wilde hij de flamingant treffen in Ledegouwer?” Was het de wraak van een franskiljon? Minnaert kon er niet over uit: “Ik vind de woorden niet en mijn gedachten dwarrelen als herfstblaren in de wervelwind...” Hij kende Clevers goed van het bestuur van Dodonaea; bij Van Puyvelde volgde hij op de universiteit de leergang kunstgeschiedenis. Een jong, getalenteerd mens was verraden.

Minnaert zag een klein huisje voor zich, een jongen die traag naderde. Een moederlach, de opgekropte smart, de woorden ‘Ik ben weggesmeten’ en de plof van een vallend lichaam: “Ik zie, heer prefect, een huizeke vol onmenselijke smart; – ik zie een filister, heer prefect, die in een leunstoel gezeten disserteert over moraal. Ik voel de wanhoop van de ouders die gulden dromen hadden gesponnen met teerheid en liefde om wier ziele nu kille zwarte nacht waart. Ik voel de haat, de krijsende, wilde haat van hem, waarvan men ’t beste wat hij bij zich droeg, het diepste, het innigste, het eerlijkste wat hij bezat, met de voeten trapt, verschopt als rottend vuil.” Marcel identificeerde zich met het slachtoffer.

Hij riep de jongeren op Ledegouwers bundel te kopen en er de grote menselijkheid in te ontdekken. De ‘ganse Vlaamse jeugd’ stond aan diens kant, die van oprechtheid, dapperheid, van het licht! Latere afleveringen vermeldden de bijval op de scholen en de wraakzucht van enkele Vlaamsgezinde leraren.” (78-79)

 

Het tweede beeld speelt in 1936 als Minnaert, in Deel II ,betrokken wordt bij de inwijding van het monument van Jozef Cantré voor de overleden Vlaamse dichter René De Clercq in Lage Vuursche, waarbij de Vlaamsgezinden van het VNV én de NSB’ers massaal de fascistische groet brengen. Ik citeer (239):


De gebalde vuist in Lage Vuursche:

Op 11 september had Minnaert een brief gekregen van Boudewijn Maes uit Sint Martens Latem. Die had eind april in Amsterdam gepraat met Ria De Clercq en enkele vrienden: “Daar vernam ik voor ’t eerst dat er vanwege zekere mensen gemanoeuvreerd werd, om zich van de onthulling van René’s gedenkteken meester te maken ten einde deze plechtigheid in het teken van fascisme of nationaal-socialisme te doen plaatsen.” Hoewel Minnaert weet had van de fascistische overtuiging van Van Vessem, Van Genechten en van de pro-Duitse gezindheid van veel oude strijdmakkers, liet hij deze waarschuwingen niet tot zich doordringen.

Die middag werden er, de godsvrede indachtig, kransen gelegd door DDB, ANV, Raad van Vlaanderen, de Grijze Brigade van het Vlaams Nationaal Verbond, Zuid-Afrikaner groeperingen, NSB, Nationale Jeugdstorm en Zwart Front. Burger legde de symboliek uit van Cantrés sculptuur: “De Clercq oprijzend in de tuin van Dietsland: met het aangezicht naar de zon gekeerd drukt hij De Noodhoorn tegen zijn hart, terwijl de linkerhand het verband vasthoudt met de moederaarde Dietsland.” Een Utrechts koor zong liederen van De Clercq op toonzetting van de componist Jef van Hoof. Het hoogtepunt was de declamatie door Magda de Groodt van enkele verzen zoals Belijdenis:

Nederland, mijn land geworden. / Zorg dat Vlaandren niet vergaat.

Jeugdstormertjes in uniform marcheerden daarop rond het kerkhof. Bij het zingen van de nationale volksliederen bracht de meerderheid van de aanwezigen de fascistengroet. Als protest hieven Jozef Cantré en Minnaert bij Wilhelmus en De Vlaamse Leeuw de gebalde vuist, zo meldde het sociaal-democratische Het Volk en voegde toe: “In naam van René De Clercq’s nagedachtenis protesteren wij met klem tegen de ongehoorde opdringerigheid der fascistische vijanden van de vrijheid en wij maken er het comité een ernstig verwijt van, dat het deze schending van De Clercq’s graf niet heeft weten te voorkomen.” Het blad noemde de Vlaamse volksdichter De Clercq een sociaal-libertijn, die niets met fascisme te maken had willen hebben.”

 

Ik noem deze twee beelden van de levende en strevende Minnaert mét Frans Masereel, van wie Minnaert volgens zijn vriend Gaston Mahy altijd heeft gehouden, ‘Beelden van de hartstocht van een mens’ (Images de la passion d’ un homme). Waarom, vraag ik me tussen haakjes af, is er in het schitterende, Antwerpse Museum aan de Stroom (MAS), dat ik onlangs bewonderd heb, mijn felicitaties, geen enkele toespeling op de Vlaming Frans Masereel, meestal Frans schrijvend, akkoord, hoewel die een bewogen houtsnedenboek, in mijn bezit, aan Antwerpen en zijn geliefde Vlamingen heeft gewijd. Maar dat, beste Joost, is geheel terzijde.


Delft, 15 december 2011

 

terug naar boven