Erasmus en Internet: een onaangename ervaring.

Met kwaadwillende medewerkers kan Wikipedia een vergiftigde bron zijn.

Leo Molenaar, 7 en 9 november 2011.

Lieve leerlingen,

de laatste tien jaar heb ik me drie keer gestort in een project om wat mij betreft kwalijke verhalen over Erasmus, onze schoolpatroon, te weerleggen. De twee laatste keer speelde het internet daarbij een hoofdrol. Mijn school vroeg me om daarover wat aan jullie te vertellen. Ik kan geen recht doen aan mijn uitvoerige essays, die op mijn website, en in de lustrumboeken, van 2004 en 2009, te lezen zijn. Ik spits het toe op slechte ervaringen met internet: er zijn ook veel positieve impulsen van het net, daar wil ik het best een andere keer over hebben.

Anne Frank Stichting: internet, en beweerd antisemitisme van Erasmus:

Vier jaar geleden bracht een stichting die Erasmus onder de Rotterdammers wil brengen, Huis van Erasmus, een boekje uit van ons bestuurslid Louise Langelaan: Erasmus voor de Klas. De schrijfster is werkzaam in het Humanistisch Vormingsonderwijs. Het was bedoeld voor kinderen van twaalf tot veertien jaar. Op dit moment (herfst 2011) is die publicatie gesplitst in twee afzonderlijke delen. Deel 1 vertelt het levensverhaal van Erasmus, en is herschreven voor kinderen van groep 8 van de basisschool: leerlingen van klas 1 hebben 30 exemplaren van dat boekje op Erasmus’ verjaardag, 28 oktober, naar hun oude basisscholen gebracht in de hoop dat de leraren het in groep 8 zullen gooien. Deel 2 gaat over De ideeën van Erasmus, over de onderwerpen in zijn boeken, en mikt op jongeren van een jaar of veertien. Jullie hebben dat als vierdeklassers gekregen als ondersteuning bij het Erasmusproject op elf-elf-elf.

Een lerares geschiedenis van deze school vond het in 2007 een aardig idee om het vorige boekje uit te delen aan de leerlingen van haar klas 2. Ze liet ze er twee lesuren zelf in bladeren en lezen, om ze dan ‘voor een cijfer’ een brief naar Erasmus te laten schrijven. Omdat ze de boekjes via mij kreeg, mocht ik een kopie maken van de negentig verhalen die zij binnen had gekregen. Ik nam die door, en ik stond versteld van de inhoud van een 25 brieven: de jonge schrijvers namen Erasmus kwalijk dat hij een antisemiet was, en daarbij vielen vaak de mij indertijd onbekende Duitse namen van twee Johannes’en: ene Pfefferkorn en ene Reuchlin. Daarover stond niets in ons boekje. Maar de leerlingen van klas 2 deden net alsof die namen hen sinds lang vertrouwd waren, en namen Erasmus bijvoorbeeld kwalijk dat hij had gezegd dat hij geen reuchlinist was. Ze haalden hun wijsheid van internet, dat was wel duidelijk.

Ik was toen leraar scheikunde op deze school, en deed als historicus mee aan het samenstellen en redigeren van de lustrumboeken die we indertijd maakten, maar toch kon ik kon niet veel uitrichten met deze kennis. De lerares geschiedenis werd ziek, kwam niet meer terug, en is er nooit met de leerlingen op ingegaan. Ik besloot om hierop terug te komen als ik de kans kreeg, en ik kopieerde voor de zekerheid een stapeltje brieven als ‘bewijsmateriaal’. Ik heb er voor deze lezing een paar gekopieerd, voor zover ze getypt zijn. Jullie hebben ze als dia’s gezien, en nu weer als tekst. Ik neem stukjes uit drie ervan.

Leerlinge 1 gaf de kern van haar bezwaren tegen Erasmus weer: “Nu ik steeds meer over u te weten kom, brengt dat mijn trots op de school toch een beetje aan het wankelen. En wel om het gegeven dat u antisemitisch was, u was zelfs actief tegen het gedachtegoed van uw tijdgenoot Johannes Reuchlin. Deze houding is voor mij nu, in deze tijd, volkomen onbegrijpelijk en zelfs onacceptabel. Ruim 400 jaar na uw sterven brak de Tweede Wereldoorlog uit. Van deze verschrikkelijke oorlog zijn velen slachtoffer geworden, onder wie zes miljoen joden. Het maakt mij verdrietig dat eeuwen na uw dood nog steeds uw denkbeelden over de joden voortleven. Ik probeer mij in uw tijd in te leven, maar dat is beslist lastig voor mij, want ik leef met alle normen en waarden van deze tijd, en met de geschiedenis van mijn familie.” Deze leerlinge leek joods te zijn, en de tekst maakte indruk.

Ook leerling 2 had geshopt op Wikipedia: “Ik wil het met u hebben over uw haat tegen joden. Ik heb gehoord dat u joden haat omdat zij een ‘verderfelijke plaag tegen Jesus GGGristus zouden vormen’. Nou moet ik zeggen dat ik dat niet zo heel lief vind van u.” Hij had gehoord dat Erasmus zichzelf ‘geen reuchlinist’ had genoemd, terwijl Reuchlin een man was die indertijd opkwam voor de rechten van de joden. Ook was Erasmus een inspiratiebron voor de gevreesde Maarten Luther geweest, die vond “dat synagogen en joodse scholen in brand gestoken moeten worden; huizen van joden moeten worden afgebroken en verwoest; joodse gebedsboeken moeten worden afgenomen; enz enz”: “sgaam uh mehnir Erasmoes”. Het leek erop dat deze leerling hetzelfde verhaal over Erasmus had opgepikt als leerlinge 2.

Leerling 3 had weliswaar positieve dingen op internet gelezen, maar hij was het met een standpunt van Erasmus absoluut niet eens: “U heeft de joden ‘de verderfelijkste plaag’ en de ‘bitterste vijand van de leer van Jezus Christus genoemd.” Deze leerling had dit nooit van Erasmus verwacht, die toch een ‘humanist’ was, en dat kennelijk was vergeten op het moment dat hij deze woorden uitsprak. Ook hij citeerde het zinnetje “ik ben geen reuchlinist… nooit heb ik hem gesteund”, en wilde Erasmus goed de les lezen: “U accepteerde de joden niet, u was bereid om tot het uiterste te gaan om ze weg te hebben. U wou ze wel dood hebben, zij waren immers de bron van alle ellende op de wereld. De joden werden vervolgd door de rechtbanken van de Inquisitie, joden werden zonder pardon op de brandstapel gegooid. Dat was hetzelfde als oorlog, een oorlog zonder verliezen aan de kant van de kerk. U deed daaraan mee, u wakkerde met uw uitspraken de Jodenhaat aan.” Hij vond dit zelfverzonnen scenario dubbelzinnig, omdat Erasmus op andere plaatsen, zoals in Lof der Zotheid, tegen oorlog en geweld was opgetreden: “dat vind ik voor iemand van uw kaliber lichtelijk apart”.

Na het lezen van deze brieven, begin 2008, van de leerlingen van klas 2 kon ik er een jaar later op terugkomen toen ik de eindredactie deed van het lustrumboek van 2009. Jullie hebben dat in klas 1, of 2, gekregen: dat ging voor de helft over Erasmus, met eigen verhalen van leerlingen, en voor de helft over een oud-rector van deze school. Ik begeleidde een half dozijn essays over Erasmus; die als ‘profielwerkstuk’ meetelden voor vakken als geschiedenis en filosofie. Drie eigenwijze meiden, Xiao Hang Nguy, Asma Belmir en Remedios van Rijn, wilden ingaan op de vraag Was Erasmus werkelijk zo tolerant?, en ze leverden december 2008 een opzet in waarin sprake was van de ‘haat’ die Erasmus koesterde jegens Turken en joden. Ik wilde van hen weten welke bronnen zij hadden gebruikt, omdat ik bang was dat die ‘vergiftigd’ waren. Zij noemden toen de publicatie Antisemitisme; Een geschiedenis in beeld van de Anne Frank Stichting (AFS)!! Betrouwbaarder kon haast niet, zou je zeggen. Zij hadden een publicatie uit 1989 van deze Stichting op internet gevonden van de hand van dominee Hans Jansen. Daarin staat bijvoorbeeld dat Erasmus nog intoleranter was tegenover joden dan Luther, en voor die conclusie werd één lang citaat gebruikt waarin Erasmus schandelijk tekeer gaat tegen de ‘tot het christendom bekeerde Jood’ Johannes Pfefferkorn. Dat was eigenlijk alles. Erasmus was nog erger dan Luther, meende Jansen, en die ijverde aan het eind voor de vervolging en verjaging van de Joden uit Duitsland. In de pagina’s die daar in het boek op volgden, bleek echter dat deze Pfefferkorn werkte voor de Inquisitie van de Roomse Kerk, en dat hij ketters en Joden achtervolgde. Bij de keizer van het Heilige Duitse Rijk, Maximiliaan, had Pfefferkorn aanhangig gemaakt om de Hebreeuwse boeken van de Joden te verbranden. Hij had tevens Erasmus, als onverbeterlijke vriend van Reuchlin, aangeklaagd als ketter, en daarop stond in die tijd gevangenisstraf of zelfs verbranding. Het was in Erasmus’ doodsangst, nadat hij zojuist van deze aanklacht had gehoord, dat Erasmus deze Pfefferkorn in een brief verrot had gescholden. Daarbij liet hij zich verleiden tot uitlatingen die antisemitisch van strekking zijn. De dagelijkse Erasmus was er evenwel niet alleen een voorstander van dat Joodse mensen hun Hebreeuwse boeken konden houden, maar had destijds als theoloog in Leuven een docent Hebreeuws aangetrokken, waardoor hijzelf enkele jaren leiding gaf aan een uniek, drietalig instituut dat Grieks, Latijn en Hebreeuws doceerde. Hij was een boezemvriend gebleven van Johannes Reuchlin. Wat Erasmus deed voor het Grieks, presteerde Reuchlin namelijk voor het Hebreeuws: ze waren samen van de Renaissance, van de ‘wedergeboorte van de letteren’. Rond 1520 ging Reuchlin echter mee met Luther in de splitsing in de Roomse Kerk en ook kreeg hij belangstelling voor de hebreeuwse Kabbala: Erasmus wees Luthers scheuring af, en hij vond de joodse mystiek evenmin interessant. In die zin stelde Erasmus in een brief aan de inquisiteur Hoogstraten van 1519 dat hij geen ‘reuchlinist’ was, evenmin was hij ‘erasmiaan’ stond er verderop, maar hij liet zijn vriend niet vallen. Op die brief kom ik nog terug. Wat een schandelijke misleiding over Reuchlin, die teksten op Internet! Het ging niet om een vergissing, er werd een valstrik voor Erasmus geplaatst. Met welk doel, in vredesnaam?

 

Wikipedia en dominee Jansen: een sarcasme, en een ‘sorry’ van de Kerken:

Ik stuurde de Anne Frank Stichting op 25 februari 2009 een e-mail met onder meer bovenstaande argumenten, en de vraag: “is in publicaties van uw stichting deze tamelijk opzichtige fout jegens Erasmus ooit hersteld? Is men daar nog wel eens op teruggekomen, of heeft men het zo gelaten?” Ik kreeg van auteur Jaap Tanja diezelfde middag respons: “Ik ben het met u eens dat er in het door u aangehaalde stuk tekst over Erasmus foutieve informatie wordt verstrekt. In een recent boek van de Anne Frank Stichting over het onderwerp Antisemitisme; Vijftig Vragen (2005) wordt deze informatie dan ook niet herhaald. Voor de tekst van laatstgenoemd boek is ondergetekende verantwoordelijk, daar kunt u mij dus ook op aanspreken. Voor de tekst van het andere boek kunt u zich het beste wenden tot de schrijver van de tekst in dat boek, Hans Jansen. Overigens – zonder met u een discussie over Erasmus te willen aangaan – denk ik dat Erasmus in zijn opvattingen over Joden toch sterk een kind van zijn tijd was.” Ik leende dit recente boek in de bibliotheek, en antwoordde Tanja de week erop: “Tot mijn genoegen heb ik gezien dat u Erasmus als grote antisemiet hebt afgevoerd, Luther is gebleven en Calvijn is afgezwakt. En inderdaad, zoals ik al vreesde, wordt daar geen verantwoording over afgelegd. Ik heb het boek doorgenomen van Shimon Markish, Erasme et les Juifs, 1979: op basis van Erasmus’ hele oeuvre komt de als Russische jood naar Zwitserland uitgeweken geleerde tot de slotsom dat Erasmus op geen enkele wijze kan worden aangemerkt als ‘antisemiet’.”

Inmiddels goochelde ik eens met de teksten die Hans Jansen op Internet had gezet, en ik begreep meteen de briefschrijvers van klas 2 al beter toen ik onder het lemma Erasmus en de Joden op Wikipedia de tekst van Jansen vond (met mijn vetgedrukte commentaar erachter):

Erasmus en de Joden:

De zestiende eeuw kenmerkte zich door een duidelijk antisemitische cultuur. Vooral de Roomse inquisitie had het op de Joden gemunt. Een uitzondering op deze regel werd gevormd door Johannes Reuchlin. Als een van de weinigen bepleitte hij gelijke burgerrechten voor de Joden. Erasmus was echter ten aanzien van de Joden een kind van zijn tijd (schande!). In reactie op Reuchlins visie op de Joden schreef hij ooit ‘Ik ben geen Reuchlinist... nooit heb ik hem gesteund, en hij zou het niet eens gewild hebben’ (schande, perfide). Over de Joden deed Erasmus krasse uitspraken. Frankrijk was voor hem het bloeiendste deel van de christenheid omdat dat land niet met ‘Joden en half joodse maranos is geïnfecteerd’ (in een brief, dat was inderdaad hatelijk). Het Jodendom zag hij als de ‘verderfelijkste plaag en bitterste vijand van de leer van Jezus Christus’(vrijheid van godsdienst, katholieken tegen Joden). Hij was zelfs bereid om het Oude Testament op te geven als heilig boek voor de christenheid om daarmee de invloed van het judaïsme in te dammen (vrijheid van godsdienst, katholieken tegen Joden, onjuist). Luther ging op dit punt in het spoor van Erasmus verder. (schande!).”

In dit lemma staan felle verwijten aan Erasmus. Strikt genomen is slechts de zin over Frankrijk, die niet in een boek is gepubliceerd, verwijtbaar. Veel zinnen over Erasmus zijn misplaatst of gelogen. De verwijten van de leerlingen van klas 2 vallen nu op zijn plaats:

  • Ze snapten de strekking niet van het verwijt dat Erasmus geen ‘reuchlinist’ is, en schreven dat gewoon over; ze dachten dat Erasmus zijn vriend in de steek had gelaten. Erasmus was evenwel een vriend van Reuchlin, tot zijn dood met hem verbonden; hij wijdde aan zijn vriend, als enige, een aflevering van zijn Samenspraken; het citaat dat Jansen aanhaalt over ‘reuchlinist’ is uit zijn context gehaald en te kwader trouw;

  • Ze kenden de kwestie-Pfefferkorn niet, zodat ze de context misten van Erasmus’ woede-uitbarsting tegen deze bekeerde Jood, die optrad als inquisiteur tegen zijn vroegere geloofsgenoten;

  • Het Oude Testament is de eerste, Joodse helft van de Bijbel: Erasmus schreef evenveel over het Oude als over het Nieuwe Testament. Het Nieuwe Testament, het verhaal van Christus, vertaalde hij na duizend jaar opnieuw uit het Grieks: dat was een van zijn grote, wetenschappelijke prestaties. Het Nieuwe Testament had Erasmus’ voorliefde, zonder dat hij als theoloog ooit het Oude kon of wilde verwaarlozen;

  • Het indammen door de Roomse Kerk van de invloed van het Jodendom, en ook door de meeste christelijke afsplitsingen, was een vanzelfsprekendheid, tot ver in de 20ste eeuw. Die ideologische concurrentie, waaraan hij deel heeft, maakt van Erasmus nog geen antisemiet;

  • Sommige onaangename citaten uit brieven van Erasmus, zoals dat over Frankrijk zijn niet verheffend, maar welke praktijken stond Erasmus voor? Net als Reuchlin pleitte Erasmus, als een van de zeer weinigen in die tijd, voor de burgerrechten van de Joodse bewoners en immigranten. Ik kom daarop terug.

Dat neemt niet weg dat de bevreemding, en verontwaardiging, over sommige citaten van Erasmus terecht is. Erasmus is een Rooms-Katholiek theoloog geweest, en leefde in een wereld waarin de Joodse godsdienst een concurrent was. Het christendom is ontstaan uit het Jodendom; de Joden hebben in grote meerderheid geen behoefte gehad aan de christelijke godsdienst, de joodse Christus wordt door hen niet als Verlosser. In tal van geschriften van christelijke kerkvaders is de joodse godsdienst de belangrijkste tegenpool. Het protestantisme ontstaat pas met Luther, in de jaren twintig van de 16e eeuw, in Erasmus’ nadagen dus. Erasmus haalt de felle tegenstellingen tussen christendom en Jodendom soms voor het voetlicht. Dat heet in de theologie anti-judaïsme, en niet antisemitisme omdat dit laatste gekoppeld is aan onderdrukking,verspreiding van haat, vervolging en vernietiging. Daarvan kan Erasmus allerminst worden beticht. Daarom, en ook vanwege de figuur van Pfefferkorn, klopte de publicatie van de Anne Frank Stichting voor geen meter.

Ik schreef toen een artikel van mijn bevindingen voor het schoolboek dat je thuis nog moet hebben, Wat is het beeld van Erasmus? Het werd voor het kunstproject Reboot 6 gepubliceerd en uitgebreid, in het Nederlands en het Engels, en werd in maart 2009 bij het beeld van Erasmus uitgesproken. Toen het Rotterdams Jaarboekje in 2010 belangstelling toonde voor deze problematiek, kon ik deze oude hap niet worden opwarmen en moest ik werken aan een verderliggende vraagstelling: waar komen deze verwijten aan Erasmus eigenlijk vandaan? Uit mijn onderzoek traden twee personen markant naar voren: de Zwitser Guido Kisch, zoon van een rabbijn en nabestaande van de Holocaust, en de theoloog Heiko Oberman, een in Nederland geboren Lutherbiograaf. Ik kan hier niet uitgebreid op ingaan, dat heb ik in mijn essay gedaan, maar beiden stelden zij Erasmus in beschuldiging vanwege een reeks citaten uit brieven waarvan er volgens hen een met kop en schouders boven de andere uitstak. Dat zinnetje valt, alweer, in een brief aan de inquisiteur Jacob Hoogstraten uit 1519: “Als het haten van Joden een kenmerk is van authentieke christenen, zijn we allen uitstekende christenen.” De auteurs voeren die uitlating ten onrechte op als bewijs voor de “levenslange, diepgewortelde Jodenhaat van Erasmus”. Uit de context van de brief blijkt dat die zin eenvoudigweg een sarcasme is, een grap: ze lezen bevooroordeeld, en hebben geen oog voor Erasmus’ ironie. Een paar zinnen later nota bene valt Erasmus dezelfde Inquisiteur openlijk aan, en verwijt hij Hoogstraten zijn hebzucht bij de Jodenjacht, hij heeft het gewoon op de goederen van de Joden voorzien. De bevooroordeelde domheid van deze auteurs is er mede debet aan dat Erasmus in 1978 onrecht is aangedaan toen deze sarcastische grap zelfs tot motto (!) - “Als het haten van Joden een kenmerk is van authentieke christenen, zijn we allen uitstekende christenen.”- is genomen voor een Rapport van de Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland over de diepste wortels van het antisemitisme. Deze kerken verontschuldigden zich dus voor hun christelijke antisemitisme door de keuze van dit citaat van de voorman van het Nederlandse humanisme: dat was stompzinnig, en ongehoord grievend voor Erasmus en de mensen die door hem geïnspireerd worden. Jullie kunnen me geloven als ik zeg dat er van het beweerde antisemitisme van Erasmus geen spaan overblijft.

 

Turkenhaat, een bizar verwijt van luie intellectuelen:

Niet alleen leerlingen van de onderbouw van het Erasmiaans Gymnasium trappen in teksten van Wikipedia die zij aanzien voor kennis die onbevlekt uit de hemel komt vallen. Ook de Rotterdamse schrijver Marcel Möring mengde zich oktober 2008 in het Erasmusfeestje. Hij schreef voor de NRC-special van het festival Erasmus in Rotterdam, de column Erasmus en Bartje. Daarin vertelde hij dat Erasmus helemaal niet zo tolerant en multicultureel is als ‘we’ hem graag zien. Vervolgens pakte hij liefst drie letterlijke citaten van dominee Jansen uit het bovenstaande lemma uit Wikipedia, waaraan hij toevoegde dat Erasmus over de islam had geschreven dat “de Turk als Turk moest worden gedood. Multicultureel? Vreedzame integratie? Kosmopoliet? Rotterdammer?” Op dat laatste reageerde de Rotterdamse schrijver Ronald Giphart in zijn column Goede manieren op 30 oktober in de Volkskrant: “Een andere kanttekening is dat de Rotterdammer Erasmus een ziedende hekel had aan Turken. Wat heden ten dage islamitische Marokkanen zijn voor Geert Wilders, waren islamitische Turken voor Erasmus, om die twee denkers maar eens met elkaar te vergelijken. Erasmus schreef zelfs een pamflet in briefvorm (De Turkenkrijg uit 1530), waarin hij aan een Keulse vriend uitlegde dat de goddeloze Turk geen mens was, maar een beest dat de beschaving probeerde te ondergraven: “Willen we ze eens en voorgoed van ons afschudden, dan zullen we toch eerst het ergste soort Turken uit onze geest moeten verdrijven”, schreef hij volgens Giphart. Welnu, als Erasmus schrijft ‘dat de Turk in de mens gedood moet worden’, of zinnen in die trant, dan bedoelt deze theoloog, want dat is ie, dat een waarachtig christen vredelievend en verdraagzaam moet zijn: hij moet het kwaad in zichzelf bestrijden!

In deel 2 van Erasmus voor de Klas staat in Smoezen hoe hij over de Turkse kwestie dacht:

Smoezen?

Erasmus had eerder de oproepen voor een oorlog tegen de Turken van de hand gewezen. De paus had al vijftien jaar daarvoor opgeroepen tot oorlog. Daarbij gebruikte de paus allerlei redenen, die volgens Erasmus nergens op sloegen. Wij zouden nu zeggen dat ze meer op ‘smoezen’ lijken. Erasmus schrijft hierover in Zoet is de oorlog voor wie hem niet kennen (Dulce Bellum Inexpertis) en De Klacht van de vrede (Querela Pacis): “We zijn gewend onze ondeugden achter fraaie argumenten te verbergen”. We zullen de argumenten, of de smoezen, van de paus en de vorsten eens bekijken met het gekleurde commentaar van Erasmus eronder:

Smoes 1: De Turken zijn misdadigers.

De christenen plegen onder elkaar ernstiger misdaden.

Smoes 2: De vorsten beweren dat ze de godsdienst verdedigen.

Ze willen de rijkdom van Istanboel.

Smoes 3: Het doel van de oorlog is de godsdienst te verdedigen.

Maar dan is oorlog al een heel slecht middel!

Smoes 4: De oorlog is goed want de Turken zijn onmensen.

Hen doden is ook onmenselijk en bovendien zijn zij ook mensen van het heilige boek. (Moslims hebben in de Koran immers grote stukken uit het Nieuwe Testament van de christelijke Bijbel en van de joodse Thora.)

Smoes 5: We gaan op ‘kruistocht’ om ze het ‘ware’ geloof te brengen.

Die reden wijst Erasmus helemaal af: “Het is heel slecht gesteld met de christelijke godsdienst als het voortbestaan van oorlogsvoering afhangt”.

Erasmus ging erg ver toen hij aan het eind van zijn verhandeling De Turkenkrijg (1530) de christelijke vorsten geen carte blanche wilde geven voor een oorlog tegen de Turken. Vergelijk die moedige positie, helemaal alleen tegen de machthebbers, eens met de karikatuur die Giphart en Möring van Erasmus maken! Wat een afgang voor deze broodschrijvers!

Ik heb me als leraar van deze school verplicht gevoeld om me liefst drie keer te verdiepen tegen het schoppen onder de gordel van Erasmus. Drie keer drie maanden werk inzake de zestiende eeuw, best veel werk voor een eigentijds historicus. De eerste keer betrof het een betoog van de toenmalige Rotterdamse Erasmushoogleraar Jan van Herwaarden. Erasmus was volgens hem een aanhanger van de Roomse idee van de ‘gerechtvaardigde oorlog’ tegen de Turken, en zou in zijn hele werk al anti-Turks zijn. Het kostte me een paar maanden om dit te weerleggen, en ik publiceerde mijn verweer in het schoolboek van 2004, Ex pluribus unum: Erasmus: cosmopoliet of kleinburger?

De tweede keer waren jullie het, de leerlingen van deze school, die mij verrasten met de brieven over de ‘antisemitische’ Erasmus. De echte aanleiding vormde dit keer een Brusselse hoogleraar die leeft van zijn zelfgefabriceerde leugens over Erasmus, dominee Hans Jansen, die probeert op Internet een klein imperium van smaad te handhaven. Volgelingen waren enkele schrijvers, de toenmalige Anne Frank Stichting (die zich hiervan zwijgend losmaakte), het Israel Informatiecentrum CIDI, een Erasmuskenner als Herman Pleij; toch nog een stoet.

De derde keer was het mijn eigen nieuwsgierigheid die mij dreef: wie waren nu eigenlijk met deze eerroof begonnen, en waarom? Het antwoord leidde naar een teleurgestelde Joodse rechtsgeleerde, Guido Kisch, overlevende van de Holocaust, die van Erasmus in de 16e eeuw een antwoord wilde waarmee hij in de 20e eeuw verder vooruit kon. En naar een kerkhistoricus, Heiko Oberman, laureaat eind jaren negentig van de lucratieve Heinekenprijs, die in zijn De wortels van het antisemitisme Erasmus als schild gebruikte voor Luther, wiens biografie hij heeft geschreven.

Bij die drie speurtochten kwam ik in de afgelopen tien jaar nooit een andere onderzoeker tegen die dezelfde, vanzelfsprekende vragen stelde. Er is een officieel circuit waarin Erasmus heilig is, en er is een officieus circuit waarin Erasmus een oorlogshitser, een antisemiet en een Turkenhater genoemd wordt. Het ene circuit bemoeit zich niet met het andere, hoewel de mensen soms de kamers op de universiteit delen. Maar het zijn net Hallemannetjes, ze blijven altijd heel fatsoenlijk tegenover elkaar. Stapel is het, en het zou niets zijn voor Erasmus die van zijn hart geen moordkuil maakte.

Laat me een anekdote geven over de dubbelzinnigheid die deze situatie in de prakrijk creëert. Ik gaf drie jaar geleden een lezinkje over Erasmus voor een gezelschap onderlegde, welgestelde, middelbare mannen in Rotterdam, en ik begon met een verhaal van een half uur over de stadspatroon. Iedereen was erg tevreden, maar de eerste, verlekkerde vraag van de voorzitter, bijgevallen door de anderen, was: ‘Hoe zit het nu eigenlijk met het antisemitisme van Erasmus?’ Ik heb een eind willen maken aan die dubbelzinnigheid. Erasmus is clean. Hij kan zonder bijgedachten ‘icoon van Rotterdam’ zijn. In het RJb van 2010 formuleerde ik mijn conclusies niet voor deze school, dat had ik in 2004 gedaan, maar voor deze stad. Ik neem drie van de zes ervan over. Daarna geef ik enkele tips voor het gebruik van Wikipedia.

 

Conclusies in het Rotterdams Jaarboekje:

1.

Erasmus groeide op en leefde in een sterk antisemitische wereld en tijd. Toch heeft hij een visie ontwikkeld op een fatsoenlijke omgang met verschillen in de samenleving, op eerbiediging van elkaars geloof, op het naast en met elkaar leven van ongelovigen, christenen, joden en islamieten. Hoewel hij zich in zijn officiële publicaties niet antisemitisch uitlaat, is in zijn ‘spontane’ brieven hier en daar sprake van een vulgair antisemitisme, vaak een ondoordacht gevolg van zijn katholieke opvoeding, en soms als kortstondige uitbarsting van doodsangst. In andere brieven kritiseert hij zijn eigen grofheden. Nergens roept hij op tot vervolging van Joden, confiscatie of verbranding van hun boeken, of tot gedwongen doop van niet-christenen of andere dwangmaatregelen. Integendeel, hij schetst een samenleving van mensen die van elkaar verschillen, van welke aard die verschillen ook zijn, en die toch vreedzaam is. Daarmee legde hij de grondslag van een wezenlijk kenmerk van de latere Republiek der Nederlanden.

2.

Het is niet in het belang van joods, christelijk, islamitisch, humanistisch en ongelovig Nederland dat er een verwrongen beeld bestaat van Erasmus’ verdraagzaamheid ten aanzien van Joden en islamieten, dat geen fundament heeft in het werk van Erasmus. Er moet strijd worden gevoerd om de juiste interpretatie van Erasmus’ houding en werk op internet te doen verschijnen.

3.

Bestuurders en inwoners van de stad Rotterdam kunnen het icoon van hun stadspatroon blijven inzetten, en hem terecht beschouwen als een sieraad voor Nederland en de mensheid. Hun steun aan een tot de verbeelding sprekend, de discussie aanwakkerend Erasmushuis moet drastisch worden vergroot. Erasmus’ leven, zijn ontwikkeling van bastaardkind naar universeel geleerde, leent zich voor een ‘verhaal’ dat kan helpen bij de bevordering van sociale cohesie, veiligheid, vrede en educatie. Gezamenlijke onderwijsprojecten voor de jeugd van elf tot veertien jaar zoals Erasmus voor de Klas van de Stichtingen Huis van Erasmus en Erasmushuis en het Erasmiaans Gymnasium verdienen daarom meer steun van gemeenten, burgers en subsidiegevers.

 

Tips voor Wikipedia:

  1. Neem niet voetstoots aan wat er staat. Voor een normaal woordenboek draagt een redactie de verantwoordelijkheid: zij trekt deskundige mensen aan die bijdragen ontwerpen en beoordelen. Jij kunt de teksten ‘vertrouwen’, en je kunt mensen aanspreken met je kritiek. Dat ontbreekt in een encyclopedie als Wikipedia, die door allen wordt gemaakt en door sommige onbekenden wordt bewaakt. Want denk niet dat een correctie door een particulier van Jansens Erasmustekst kans van slagen heeft! Pro

  2. Schrijf geen dingen over die je niet begrijpt: Erasmus was geen reuchlinist, hoezo?

  3. Controleer of publicaties (Antisemitisme, AFS, 1989) inmiddels veranderd zijn of afgedaan hebben (Antisemitisme, AFS, 2005). Die teksten blijven tientallen jaren op de websites staan, of ze worden opnieuw verspreid zoals door dominee Jansen als zijn werkgever zich van hem afkeert.

  4. Het geloof in Wikipedia blijkt ook bij schrijvers zoals Möring en Giphart levendig. Van cultuurdragers mag enige scepsis jegens teksten op internet verwacht worden.

  5. Gebruik buitenlandse bronnen als double cheque. Engelse of Duitse teksten kunnen een ander beeld geven. Soms kan iemand aan de eerroof op het Nederlandse net zijn brood verdienen terwijl hij internationaal geen rol speelt.

Delf, elf elf elf.